Hadewijch - slot van het zesde visioen door Veerle Fraeters

Hadewijch - slot van het zesde visioen door Veerle Fraeters

Doen werdic weder ghewect in enen gheeste ende ic bekende weder alse te voren ende verstont alle redene; ende van hem wart echt gheseghet te mi: Hier na en saltu meer nieman doemen noch benedien buten ghetamen van mi; ende du salt elken gheven recht na sine werdecheit. Aldus ghedane ben ic in ghebrukene ende in kinnen ende in op ghenomenheiden den ghenen die mi ghenoech na minen wille sijn. Ic gheleide di god ende mensche weder in die wrede werelt, daer du salt ghesmaken alre doede: des du hier weder coms in den ghehelen name mijns ghebrukens daer du in ghedoept best in mine diepheit. Ende ic wart met dien weder bracht jamerleke in mi selven.

Toen kwam ik weer tot mezelf in de geest en ik begreep alles weer net als daarvoor en verstond alles wat er gezegd werd. En hij sprak opnieuw tegen mij: 'Hierna zul je niemand meer veroordelen of zegenen zonder mijn toestemming en je zult ieder mens waarderen naar wat hij werkelijk waard is. Zo is het dus om mij te ervaren, mij te kennen en om in mij opgenomen te zijn voor hen die mijn wil voldoende volgen. Ik breng jou, god en mens, weer in de wrede wereld, waar je alle doden zult sterven, tot je hier terugkomt om het volmaakte een-zijn met mijn drieëenheid te genieten waar je nu gedoopt bent, in mijn diepte.' En daarmee werd ik tot mijn verdriet teruggebracht in mijzelf. (Vertaling: Imme Dros)