Hadewijch - zevende visioen door Veerle Fraeters

Hadewijch - zevende visioen door Veerle Fraeters

Daerna quam hi selve te mi ende nam mi altemale in sine arme ende dwanc mi ane heme. Ende alle die lede die ic hadde ghevoelden der siere in alle hare ghenoeghen na miere herten begherten na miere menscheit. Doe werdic ghenoeghet van buten in allen vollen sade. Ende oec haddic doe ene corte wile cracht dat te draghene. Maer saen in corter uren verloesic den scoenen man van buten in siene vormen, ende ic sachene al te niete werden ende alsoe sere verdoiende werden ende al smelten in een, soe dat icken buten mi niet en conste bekinnen noch vernemen, ende binnen mi niet besceden. Mi was op die ure ochte wi een waren sonder differencie.

Daarna kwam hij zelf bij me en hij nam me helemaal in zijn armen en trok me tegen zich aan. En al mijn leden voelden zijn leden op een volmaakte bevredigende manier, zoals mijn hart begeerde, zoals ik als mens nodig had. Toen werd de honger van mijn lichaam gestild tot ik totaal verzadigd was. En ik had korte tijd de kracht dat uit te houden. Maar al heel gauw verloor ik de uiterlijke vorm van de mooie man uit mijn ogen en ik zag hem vervagen tot hij er niet meer was en zo snel opgelost worden en tegelijk wegsmelten, dat ik hem buiten mezelf niet kon bekennen of waarnemen, en binnen mezelf niet van mij kon onderscheiden. Het leek toen of we een waren zonder onderscheid. (Vertaling Imme Dros).